Onderweg naar Pijnacker. Dit keer niet met de Randstad Rail maar op de fiets. Waarom ook niet? Het is stralend weer. Gewoon het spoor volgen. Hoe moeilijk kan het zijn? Maar ergens halverwege in Berkel gaat het mis. Het Groene Hart blijkt nog woest en ledig. Maar geen ondoordringbare bossen naaldhout hier, het blijft bij doodlopende fietspaden met slordig neergesmeten hekken, graafmachines en bergen zand. Pijnacker ligt in de verte, maar tussen mij en Pijnacker ligt geen weg maar een winderige vlakte. Zand waait in mijn gezicht maar toch hobbel ik koppig met mijn fiets over een bemodderd pad. Verderop hoor ik auto’s rijden. Het blijkt de provinciale snelweg (N470). Zonder fietspad en de bonken klei en steen in de berm raden me af om hier te fietsen. Er zit niks anders op om terug te keren naar de Berkelse nieuwbouwwijk. We zijn verdwaald, ik en mijn bruine damesfiets. Over tien jaar lukt het me dat vast niet meer. Nu heb ik nog een telefoon waar ik alleen maar mee kan bellen, maar dan zit er vast een tom-tom, gps of hoe dat allemaal ook heet, op mijn fiets. Waarschijnlijk kan het nu allemaal al. Ik vind de Oudelandselaan en rij over een gloednieuw fietspad naar Pijnacker.
Een groepje jongeren kachelt voorbij. Giechelend en aangeschoten. Er fietst een man voorbij met een kroon van oranje ballonnen op zijn hoofd. In de verte klinken flarden van wat daar een vol versterkte coverband moet zijn. Tina Turner. Status Quo.
Verder is het stil in de wijk. In de straten Rietlanden, Waard en Gors hangen een paar vlaggen halfstok. Een paar ook niet. Alsof die mensen vanmorgen vroeg zijn vertrokken om de Koninginnedag te vieren bij de schoonfamilie of verderop, in Rotterdam. Misschien trokken ze vanmorgen vroeg wel de deur dicht om naar Apeldoorn te gaan. Naar de koningin, broodjes mee en een thermoskan koffie. Blijken ze halverwege de middag plots ingehaald te zijn door die gek en hebben ze de vlaggen nog niet kunnen binnenhalen. Of halfstok kunnen hangen.
Want één idioot rijdt vijf mensen dood. Op Koninginnedag. Ik peddel tegen de wind in. Ik moet zo spelen met de band maar ik weet niet of ik in een feestelijke stemming verkeer. Maar ik wil zeker spelen. Nooit toegeven aan de gekken.
Eenmaal in Pijnacker is het feest. We moeten optreden op het pleintje voor De Trucker. De band is blij dat ik er ben, want ik was al laat. Mensen vragen me: ‘Ben je helemaal komen fietsen?’ en ‘Hoe lang deed je er dan over?’ Anderen zeggen: ‘Ik heb het live gezien op tv. Ik geloofde mijn ogen niet’ en ‘Ze moeten die gast een nekschot geven’. En één dronken gast zingt mee met Hazes, roept dat mijn vader een hoer is en valt daarna om tegen een plantenbak. Waar openbaar groen allemaal niet goed voor is.
Het optreden ging door.
Op de terugweg blijk ik hardleers. De Braillestraat klonk veel leuker dan de Industrieweg maar de Braillestraat leidt alleen maar tot een tunnel in aanbouw en is geblokkeerd door betonnen blokken. Toch maar weer de Industrieweg dan. Die loopt wel naar de Doenkade (één van de mooiste straatnamen van Rotterdam) en zo kom ik weer thuis.
