De column die ik zaterdag voorlas tijdens Pop-Up (een debat over popmuziek en architectuur) werd goed ontvangen. Een aantal aanwezigen vroeg of ze de column nog een keer online konden lezen. Bij deze: nu wel.
Buk Buk
Wie van u is er wel eens in de Buk Buk in Heiloo geweest? De Buk Buk is een aftands jongerencentrum in Heiloo, verder een welvarend plaatsje op het platteland van Noord-Holland. Het jongerencentrum dankt zijn wonderlijke naam aan twee zware balken die de zolder van het gebouw stutten. De balken hangen zo verraderlijk laag, dat je één-twee keer moet bukken om bij het podium te komen. De waarschuwing bereikte niet iedereen. Zo gebeurde het regelmatig, dat een Buk Buk-bezoeker met een pak ijsklonten zijn of haar voorhoofd zat te stelpen, omdat ze hun postzegel tegen één van de twee beroemde Buk Buk-balken hadden geparkeerd.
In elk dorp of kleine stad in Nederland vind je een Buk Buk. En elke Buk Buk heeft zijn eigen verhaal. Alleen de namen van deze kleine poppodia laten zich al lezen als poëzie:
De Korenbeurs en De Bakkerij
De Pul, De Peppel en De Onderbroek
Fenix, Atlantis, De Bunker
Willemeen, W2, Nederland 3
De Gooth, Gigant en Het Beest
Overal zie je hetzelfde beeld: vrijwilligers achter de bar, allemaal tussen de 16 en 20 jaar, op één uitzondering na, een kerel van in de veertig met vervilte dreadlocks, die luid roepend (tegen niemand in het bijzonder) beugelflessen pils ophaalt. Wanneer je in een band speelt, leer je snel dat het juist deze kerel is, die je te vriend moet houden. Hij vult het bier in de kleedkamerkoelkast bij en als je pech hebt kookt hij ook macaroni voor je.
Als muzikant heb ik menig jongerencentrum mogen ervaren. Dat was een genot voor alle zintuigen: ik voel de uitgesleten oma-fauteuils in de backstage, bezie de koelkast ondergeplakt met stickers van altijd dezelfde bands (hallo The Apers!), en ruik, als hoogtepunt, het toilet. Een diepdoordringende odeur, die visioenen oplevert van roodverbrande Engelse hooligans, die drie nachten achter elkaar in zurige achterafsteegjes verbeten gevechten leveren in de strijd om de felbegeerde titel als beste comakotser.
Gelukkig schudt iemand me ruw wakker. Het is de bedreadlockte vrijwilliger. Met een glans op zijn ogen kijkt hij je aan.
“Weet jij… wat er op DIT toilet is gebeurd?”
Hij toont een verlekkerde trotse grijns: “Hier… heeft Herman Brood in 1982 nog een groupie geneukt! Ja! Op dit toilet!”
Nergens in ons aangeharkte land vind je nog dergelijk verval, maar in centra als de Buk Buk mogen dingen langzaam verrotten, uit elkaar vallen en doodgaan, en het levert ook nog eens mooie verhalen op. Het ligt vast aan mij, maar ik mis die verhalen een beetje in de nieuwbouwhokken, die elke zichzelf respecterende gemeente de laatste jaren uit de klei stampt.
Zo niet in Heiloo. Daarom adviseer ik u allen om op bedevaart te gaan naar de Buk Buk. Om daar iets op te snuiven van het verval en de verhalen die popmuziek zo tof maken. Volgens mij vindt u juist daar de juiste inspiratie om dat gebouw te ontwerpen met pure rock-n’-roll in haar donder.
